In het geannoteerde arrest heeft het Grondwettelijk Hof zich gebogen over de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 16 december 2022 tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot invoering van een plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten. Volgens het Grondwettelijke Hof kunnen ernstige vragen worden gesteld omtrent de rechtmatigheid van de Belgische regeling inzake de overwinstbelasting, onder andere wat betreft de door de Belgische wetgever gehanteerde vermoedens voor de vaststelling van de marktinkomsten van de elektriciteitsproducenten en de in de wet van 16 december 2022 voorziene vervroegde toepassing van de overwinstbelasting vanaf 1 augustus 2022. Het Grondwettelijk Hof formuleert echter niet enkel vraagtekens bij de manier waarop de Belgische wetgever uitvoering heeft gegeven aan de Verordening (EU) 2022/1854, maar uit ook fundamentele twijfels omtrent de verenigbaarheid van deze verordening met een aantal hogere rechtsnormen en -beginselen.
Onzekerheid omtrent de overwinstbelasting: het Grondwettelijk Hof formuleert prejudiciële vragen betreffende de Europese rechtsbasis en de nationale uitvoering.
Auteur(s)
Référence
Milieu- en Energierecht (MER) 1/2025, 35-50
Expertises
Abonnez-vous à la newsletter
En cliquant sur s’inscrire, vous acceptez notre utilisation de vos données personnelles conformément à notre politique en matière de confidentialité et de cookies. Veuillez également noter que vous pouvez toujours vous désabonner en cliquant sur le lien se désinscrire situé en dessous de nos emails.