De gecoördineerde Wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 (hierna “de gecoördineerde Wetten”) zijn tijdens de maand januari 2014 in aanzienlijke mate gewijzigd, met verregaande gevolgen voor de rechterlijke organisatie in België.
Enerzijds kadert deze hervorming in de zesde staatshervorming, die zijn oorsprong vindt in het institutioneel akkoord van 11 oktober 2011. Anderzijds vormt ze een antwoordt op de kritiek op de verplichting van de Raad van State om de illegale akten te vernietigen, “zonder dat een onderscheid gemaakt wordt tussen verschillende soorten onwettigheden”. De doelstelling van de hervorming is “het vergemakkelijken van de toegang tot de Raad van State wanneer een dergelijk beroep nodig blijkt om de belangen van de rechtsonderhorigen te beschermen, en tegelijkertijd de instelling de middelen geven om haar hoofdtaken te vervullen” (Verklaring van het kabinet van Minister Joëlle Milquet, 13 september 2013 – eigen vertaling).
De Wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 77 van de Grondwet (artikel 6: schadevergoeding tot herstel)
Vanaf 1 juli 2014 zal de afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State zich kunnen uitspreken over de burgerrechtelijke gevolgen die voortvloeien uit haar arresten die een onwettigheid vaststellen. Tot nu toe moest een vordering tot schadevergoeding voor de burgerlijke rechtscolleges gebracht worden.
Artikel 11bis van de gecoördineerde Wetten voorziet tegenwoordig dat “[e]lke verzoekende of tussenkomende partij die de nietigverklaring van een akte, een reglement, of een stilzwijgend afwijzende beslissing vordert met toepassing van artikel 14, § 1 of § 3, aan de afdeling bestuursrechtspraak [kan] vragen om haar bij wijze van arrest een schadevergoeding tot herstel toe te kennen ten laste van de steller van de handeling indien zij een nadeel heeft geleden omwille van de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing, met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang.”
Zulke vordering tot schadevergoeding wordt ingediend uiterlijk zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld.
Samenloop tussen het verzoek tot schadevergoeding voor de afdeling bestuursrechtspraak en een aansprakelijkheidsvordering voor een burgerlijke rechter tot herstel van hetzelfde nadeel is uitgesloten. Eens de benadeelde partij een van beide vorderingen heeft ingesteld, kan hij geen beroep meer kunnen doen op de andere.
Deze wijziging werd mogelijk gemaakt door een herziening van artikel 144 van de Grondwet, die heden ten dage vervolledigd is met de volgende alinea: “De wet kan echter, volgens de door haar bepaalde nadere regels, de Raad van State of de federale administratieve rechtscolleges machtigen om te beslissen over de burgerrechtelijke gevolgen van hun beslissingen.” (Herziening van artikel 144 van de Grondwet van 6 januari 2014).
De Wet van 19 januari 2014 houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State
De Wet van 19 januari 2014 is in werking getreden op de dag van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad (3 februari 2014). Ze brengt vijf essentiële wijzigingen aan in de werking van de Raad van State. Deze wijzigingen zullen op hun beurt in werking treden op een datum bepaald door een Koninklijk Besluit en uiterlijk op 1 maart 2014.
- Ten gevolge van de wijzigingen voorziet artikel 14ter van de gecoördineerde Wetten de mogelijkheid voor de afdeling bestuursrechtspraak om de terugwerkende kracht van haar arresten te beperken, niet enkel meer voor de vernietigde reglementen, maar ook voor de individuele akten die vernietigd zijn. De afdeling bestuursrechtspraak wijst dan die gevolgen van de vernietigde akten die als definitief moeten worden beschouwd of voorlopig gehanteerd moeten worden voor een termijn die ze vaststelt.
- Artikel 17 van de gecoördineerde Wetten betreft de vorderingen tot schorsing en de voorlopige maatregelen. Dit artikel heeft een wijziging op temporeel vlak ondergaan ten gevolge waarvan de vordering op elk moment ingesteld kan worden en niet enkel op het tijdstip van het indienen van het vernietigingsberoep zoals dat het geval was voor de vorderingen tot schorsing. Bovendien is de tweede toelatingsvoorwaarde van het “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” vervangen door het vereiste van spoedeisendheid. De eerste voorwaarde blijft het aanvoeren van een ernstig middel dat prima facie de nietigverklaring van de akte of het reglement kan verantwoorden.
De minister heeft reeds aangegeven dat het begrip “spoedeisend” op dezelfde manier geïnterpreteerd zal worden als in het kader van de procedures in kort geding voor de burgerlijke hoven en rechtbanken. Opgemerkt wordt dat de voorlopige maatregelen nu ook de burgerrechtelijke rechten kunnen betreffen.
- Het nieuwe artikel 30/1 van de gecoördineerde Wetten voorziet dat “de afdeling bestuursrechtspraak een rechtsplegingsvergoeding [kan] toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij”.
Hiertoe kan de afdeling bestuursrechtspraak de basisbedragen bepaald door de Koning op advies van de Belgische balies verhogen of verlangen mits hij de maximale en minimale bedragen niet overschrijdt. De criteria die in acht genomen worden zijn de financiële draagkracht, de complexiteit van de zaak en de “kennelijk onredelijke aard van de situatie”.
- Hoofdstuk III van de gecoördineerde Wetten is getiteld “uitvoering van de arresten en dwangsom”. Er is voorzien dat de afdeling bestuursrechtspraak in de motieven van haar arresten houdende nietigverklaringen kan verduidelijken welke maatregelen genomen moeten worden om te verhelpen aan de onwettigheid die heeft geleid tot de nietigheid.
Zo kan in het arrest houdende de nietigverklaring of in een later arrest een termijn voorzien worden voor het nemen van een nieuwe beslissing. Indien dit bevel niet nagekomen wordt kan een dwangsom opgelegd worden.
- De Wet van 19 januari 2014 voert een nieuw hoofdstuk V in de gecoördineerde Wetten in. Het betreft de “bestuurlijke lus”, een procedure die de afdeling bestuursrechtspraak in staat stelt om bij tussenarrest de autoriteiten op te dragen om een “gebrek” in de bestreden akte of het bestreden reglement te herstellen.
De Wet voorziet geen definitie van het begrip “gebrek”, maar specifieert dat het herstel van het gebrek geen weerslag mag hebben op de inhoud van de akte of het reglement.
Wanneer de autoriteiten het gebrek zoals aangewezen door de afdeling bestuursrechtspraak herstellen, gelden de gevolgen van de bestuurlijke lus met terugwerkende kracht en wordt het beroep verworpen. In het geval waarin het gebrek niet volledig wordt hersteld, wordt de akte of het reglement nietig verklaard. Indien de herstelling door een nieuw gebrek is aangetast, wordt de nieuwe akte of het nieuw reglement nietig verklaard. Een schadevergoeding tot herstel kan worden ingediend uiterlijk zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de beroepsprocedure wordt afgesloten.
Koninklijk Besluit van 13 januari 2014 tot invoering van de elektronische rechtspleging
De elektronische rechtspleging voor de Raad van State is op 1 februari 2014 in werking getreden.
In een eerste fase zal de traditionele werkwijze, met uitwisseling van papieren stukken via de post, kunnen worden aangehouden, inzonderheid indien geen enkele partij de elektronische procesvoering wenst te gebruiken.
Indien echter in het stadium van de voorafgaande maatregelen één van de partijen de elektronische procesvoering gebruikt, wordt het dossier op elektronische wijze beheerd. De partijen die deze manier van mededeling van de stukken niet wensen te volgen kunnen deze te allen tijde in hun papieren versie blijven ontvangen en versturen via de post.
Een gebruikershandleiding is op de website van de Raad van State te vinden.