HJEU verduidelijkt tegen welke organen een particulier zich kan beroepen op de bepalingen van een richtlijn die directe werking hebben

Nieuws type
Legal news

In haar arrest van 10 oktober 2017 in de zaak Farrell (C-413/15), volgde het Hof van Justitie van de Europese Unie (HJEU) (Grote Kamer) de conclusie van de advocaat-generaal Sharpston en verduidelijkte het de Foster-test.

De Foster-test werd als volgt geformuleerd:

“[…] de rechtssubjecten tegenover welke een beroep kan worden gedaan op bepalingen van een richtlijn die rechtstreekse werking kunnen hebben, in elk geval, ongeacht zijn juridische vorm, een lichaam behoort dat krachtens een overheidsmaatregel is belast met de uitvoering van een dienst van openbaar belang, onder toezicht van de overheid, en dat hiertoe over bijzondere, verder gaande bevoegdheden beschikt dan die welke voortvloeien uit de regels die in de betrekkingen tussen particulieren gelden.” (paragraaf 20)

Na dit arrest bleef er gedurende vele jaren onzekerheid bestaan over de precieze draagwijdte en implicaties van deze Foster-test van 1990.

In de zaak Farrell oordeelt het HJEU duidelijk dat zij in de zaak Foster “niet heeft beoogd een algemene toets te formuleren die alle gevallen dekt waarin aan een entiteit de bepalingen van een richtlijn die rechtstreekse werking kunnen hebben, kunnen worden tegengeworpen, maar het van oordeel is dat een lichaam als aan de orde in de zaak die tot dat arrest aanleiding heeft gegeven, in elk geval als zodanig moet worden beschouwd omdat het beantwoordt aan alle in punt 20 [van het arrest Foster] genoemde kenmerken” (paragraaf 26).

Volgens het HJEU volgt hieruit dat de voorwaarden dat het betrokken lichaam, respectievelijk, onder gezag of toezicht staat van de staat en over bijzondere bevoegdheden beschikt die verder gaan dan die welke voortvloeien uit de regels die in de betrekkingen tussen particulieren gelden, niet cumulatief gelden (paragraaf 28).

Het HJEU verduidelijkt vervolgens dat overheidsorganen zich “onderscheiden van particulieren en moeten worden gelijkgesteld met de staat, hetzij omdat zij publiekrechtelijke rechtspersonen zijn die deel uitmaken van de staat in ruime zin, hetzij omdat zij onder gezag of toezicht staan van een overheidsinstantie, hetzij omdat een dergelijke instantie hun een taak van algemeen belang heeft toevertrouwd en hun daartoe die bijzondere bevoegdheden heeft verleend.” (paragraaf 34) “Bijgevolg kunnen aan een entiteit of een lichaam waaraan een lidstaat een taak van algemeen belang heeft opgedragen, en die daartoe over bevoegdheden beschikt die verder gaan dan die welke voortvloeien uit de regels die in de betrekkingen tussen particulieren gelden, zelfs indien die entiteit of dat lichaam privaatrechtelijk van aard is, de bepalingen van een richtlijn met rechtstreekse werking worden tegengeworpen” (paragraaf 35).

Schrijf in op de nieuwsbrief

Door op inschrijven te klikken, gaat u akkoord met het gebruik van uw persoonsgegevens in overeenstemming met onze Privacy en Cookie Policy. Gelieve op te merken dat u steeds opnieuw kan uitschrijven door op de daartoe bestemde link te klikken onderaan onze e-mails.