Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op het mededingingsrecht (een kartel, een mededingingsverstornde overeenkomst en/of een misbruik van machtspositie) heeft het recht om een vordering tot schadevergoeding in te stellen om een volledige vergoeding van de schade te verkrijgen.
De Wet van 6 juni 2017 houdende invoeging van een Titel 3 “De rechtsvordering tot schadevergoeding wegens inbreuken op het mededingingsrecht” in Boek XVII van het Wetboek van economisch recht voorziet het rechtskader dat van toepassing is op deze vorderingen en bevordert ze.
Deze Wet is op 22 juni 2017 in werking getreden en voorziet in de omzetting van de Richtlijn 2014/104/EU betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie.
Krachtens dit regelgevend kader worden de door de Belgische Mededingingsautoriteit vastgestelde inbreuken geacht onweerlegbaar vast te staan en worden kartelinbreuken geacht schade te berokkenen (behalve indien de kartellist dit vermoeden kan weerleggen). Bovendien beschikt de rechter over een brede bevoegdheid om het overleggen van bewijsmateriaal te bevelen, met inbegrip van bepaalde documenten die zich in het dossier van de mededingingsautoriteit bevinden. Ten slotte zijn alle mededaders in principe hoofdelijk aansprakelijk voor de veroorzaakte schade. De vergoeding van de volledige schade kan dus van elk van hen gevorderd worden.
Er dient op te worden gewezen dat de bepalingen van de Wet van 6 juni 2017 ook van toepassing zijn op de rechtsvorderingen tot collectief herstel ingesteld op basis van Titel 2 van Boek XVII van het Wetboek van economisch recht.
Aarzel niet om Pierre de Bandt, Astrid de Bandt of Julie Probst te contacteren indien u meer informatie wenst over de interpretatie of toepassing van de Wet van 6 juni 2017.